| België: WO I - 4 jaren oorlog in de Westhoek - begraafplaatsen | |||||||||||
- Groote Oorlog - Tyne Cot Cem. - Tyne Cot Mem. - Lijssenthoek - Vladslo - Keiem - Kollwitz museum - Entartete kunst |
In de Westhoek raakten gedurende vier jaar oorlog bijna één miljoen soldaten verwond, vermist of gedood. Vooral Britten, Duitsers, Fransen en Belgen vonden in de Westhoek een laatste rustplaats. De helft van alle vermiste of gedode soldaten waren Britten en soldaten van de Commonwealth (het Gemenebest). Vandaag vinden we hun namen op duizenden grafstenen en op de panelen van “Missing Memorials”. Britten, Canadezen, Australiërs en Nieuw Zeelanders liggen begraven op meer dan 170 grote en kleine begraafplaatsen rond Ieper. Ook de gesneuvelde soldaten uit de kolonies die werden ingezet, liggen hier begraven: Senegalezen, Marokkanen, Algerijnen, Tunesiërs, Indiers, Sikhs en Chinezen. Deze laatste werden door de Britten als hulparbeiders achter het front ingezet. Op de begraafplaatsen van de Commonwealth wordt vanaf 40 graven het “Cross of Sacrifice” geplaatst en vanaf 1000 graven een “Stone of Remembrance” met de inscriptie “Their name liveth for Evermore”. Tyne Cot Cemetery in Passendale is de grootste Commonwealth militaire begraafplaats op het vaste land. Tijdens de 3de slag bij Ieper (Slag om Passendale) in 1917 werd hier door de geallieerden het tot puin geschoten dorp Passendale en een totaal verwoest terrein veroverd. De Britten verloren bijna 400.000 man aan doden, gewonden, vermisten en krijgsgevangenen. Oorspronkelijk was Tyne Cot een versterkte positie van de Duitse Flandern I-stelling, waar Australische troepen in oktober een eerste hulppost inrichtten. Er ontstond al snel een kleine begraafplaats met 340 bijzettingen van gewonden die ter plekke waren bezweken. Tussen 1919 en 1921 brachten gespecialiseerde “Exhumation Companies” hier vanuit omliggende velden de gesneuvelden samen. Er zijn 11.956 graven van Commonwealth militairen (slechts 3.800 zijn bij naam bekend) en enkele graven van Duitse gesneuvelden. Op de muur (Missing Memorial) achteraan de begraafplaats staan de namen gegrift van de 34.957 vermiste soldaten die na 15 augustus 1917 sneuvelden. De overige bijna 55.000 namen van vermiste gesneuvelden van vóór die tijd staan vermeld op de Menenpoort in Ieper. Hospitaalbegraafplaatsen ontstonden naast de veldhospitalen ten oosten en ten westen van Poperinge. Voor bijna iedere dag van de oorlog is er wel een soldatengraf. Het Lijssenthoek Military Cemetery in Poperinge is de grootste hospitaalbegraafplaats. Deze begraafplaats wordt ook wel “Remi Cemetery” genoemd, naar de voornaam van de boer die op de hoeve achter de begraafplaats woonde. De boerderij is er nog steeds. De begraafplaats telt 9.904 Commonwealth graven (incl. de graven van de Chinese Labour Corps) en 884 anderen, vooral Duitsers en Fransen. Vanaf 21 september 2012 is er een klein bezoekerscentrum.
De Amerikaanse soldaten kwamen pas in 1917 aan in Europa, maar werden vooral tijdens het Eindoffensief in 1918 ingezet in België. Het Flanders Field American Cemetery in Waregem is dan ook de enige Amerikaanse militaire begraafplaats in België uit de Eerste Wereldoorlog. Het ligt op het slagveld waar de 91ste divisie vocht van 30 oktober tot 11 november 1918. Er zijn 368 graven en op de Walls of the Missing staan 43 namen vermeld. De namen van diegene die inmiddels zijn geïdentificeerd worden gemarkeerd met een rozet. Volgens het museum dat is gevestigd in de IJzertoren in Diksmuide zijn er ruim 40.000 Belgische soldaten omgekomen gedurende de Eerste Wereldoorlog, waarvan er ruim 14.000 zijn overleden als gevolg van een ziekte. Een van de Belgische militaire begraafplaatsen in de Westhoek bevindt zich in Keiem. Hier liggen de graven van 628 gesneuvelde militairen (volgens de Westhoek-website ongeveer 590) van het Belgische 8ste en 13de Linie Regiment. Een groot aantal van deze soldaten liet het leven bij gevechten om Keiem op 18 en 19 oktober 1914. Zo’n 60% van de graven op deze Belgische militaire begraafplaats herdenkt een onbekende soldaat. Onder aan de westelijke flank van de Kemmelberg ligt een Frans massagraf (Ossuaire français) met zicht op de Zwarteberg, Rodeberg en Scherpenberg. Het prachtige uitzicht geeft meteen ook inzicht in het strategisch belang van deze sector en van de Slag om de Kemmelberg. Het graf werd pas aangelegd na de wapenstilstand van november 1918. Na de Kemmelslag van april 1918 waren vele lichamen op het slagveld achtergebleven. Volgens getuigen werden er nog lichamen geborgen tot het voorjaar van 1919. Eerst werden alle onbekende Franse lichamen van de slag zelf hier samengebracht. Daarna werden ook andere onbekende Franse graven naar het massagraf gebracht. Deze begraafplaats bestaat uit 4 massagraven waarin 5.294 Franse soldaten rusten. Slechts 57 van hen zijn geïdentificeerd. Hun namen staan vermeld op de centrale obelisk. Dit gedenkteken herinnert de Franse aanwezigheid tijdens WO I en herdenkt de vele Franse verliezen tijdens de Slag om de Kemmelberg in 1918. In totaal liggen in België 134.000 Duitse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog begraven. In 1954 werden honderden Duitse begraafplaatsen teruggebracht tot 4 grote begraafplaatsen in Vlaanderen. Nog een tiental kleinere Duitse begraafplaatsen bevindt zich in Wallonië. De Duitse begraafplaatsen zijn in tegenstelling tot de Britse heel somber. De Duitse militaire begraafplaats Vladslo telt 25.638 waaronder de jonge oorlogsvrijwilliger Peter Kollwitz. Hij was bijna 18 jaar oud toen hij in oktober 1914 sneuvelde. Diep getroffen door de dood van haar zoon, maakte Käthe Kollwitz het wereldberoemde beeldhouwwerk “Het Treurende Ouderpaar”. Het beeld werd in 1932 op het “Roggeveld” in Esen geplaatst, op de begraafplaats waar Peter initieel werd begraven. Na opheffing van deze begraafplaats werden de graven en de beeldengroep in 1957 naar Vladslo gebracht. De grafsteen die voor de beeldengroep ligt, vermeldt naast nog andere namen ook: “Peter Kollwitz Musketier † 23.10.14”. Käthe Kollwitz was een bekende Berlijnse expressionistische beeldhouwster wiens kunst door de nazi’s als “Entartete kunst” werd beschouwd en veelal uit musea en openbare gebouwen werd verwijderd. Haar kleinzoon Peter sneuvelde aan het Oostfront in 1942. Bron tekst: De Groote Oorlog in de Westhoek, Toerisme Westhoek. |